De brandende kool

Er is een bekend verhaal dat predikanten graag vertellen. Het gaat als volgt:
Een parochiaan, die vroeger regelmatig de mis bijwoonde, was daar plotseling mee gestopt. Na een paar weken besloot de pastoor hem te bezoeken. Het was een koude avond en de priester trof de man alleen thuis aan, zittend voor een knapperend kolenvuur.
De man begreep meteen waarom de priester kwam. Hij heette hem welkom, leidde hem naar een grote stoel bij de open haard en wachtte. De pastoor ging rustig zitten, maar zei niets. In de stilte keek hij slechts naar het vuur.

Na een paar minuten pakte de priester met de vuur­tang een gloeiend stuk kool uit het vuur en legde het apart, aan de rand van de haard. Daarna ging hij weer zitten, nog steeds zwijgend. Beiden keken naar de kool. Langzaam doofde de vlam, er was nog even een gloed – en toen was het vuur uit. Al snel was de kool koud en zwart.
De priester stond op, pakte de koude kool weer op en legde die terug midden in het vuur. Meteen begon ze opnieuw te gloeien, verwarmd en verlicht door de andere brandende kolen om haar heen.
De les is eenvoudig: één enkel stuk kool kan niet op zichzelf blijven branden; er zijn vele kolen samen nodig om een vuur brandend te houden. Zo kan ook geen enkele christen voor God blijven branden zonder de voortdurende steun van de gemeenschap van de Kerk.

Paul O’Reilly s.j., Hope in All Things