Johannes 9, 1, 6-9, 13-17, 34-38

1Jezus zag in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af. 6Toen Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man, 7en zei tot hem: “Ga u wassen in de vijver van Siloam” – wat betekent: Gezondene. Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. 8Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bédelen, zeiden: “Is dat niet de man, die zat te bédelen?” 9Sommigen zeiden: “Hij is het.” Anderen zeiden: “Nee, maar hij lijkt op hem.” Hijzelf zei: “Ik ben het.”

13Ze brachten de man die blind geweest was, bij de Farizeeën. 14Nu was de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen had geopend, een sabbat. 15Ook de Farizeeën vroegen hem hoe hij ziende was geworden. Hij zei hun: “Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.” 16Toen zeiden sommige Farizeeën: “Die mens komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.” Anderen zeiden: “Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?” En er was verdeeldheid onder hen. 17Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: “Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?” Hij antwoordde: “Het is een profeet.”

34Zij voegden hem toe: “In zonden zijt ge geboren, helemaal, en gij leest ons de les?” En ze wierpen hem buiten.

35Jezus hoorde dat ze hem buitengeworpen hadden, en toen Hij hem aantrof, zei Hij: “Gelooft ge in de Mensenzoon?” , 36Hij antwoordde: “Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.” 37Jezus zei hem: “Hem die gij ziet en die met u spreekt, Hij is het.” 38Toen zei hij: “Ik geloof, Heer.” En hij wierp zich voor Hem neer.