Lucas 14, 25-33

25In die tijd trokken talloze mensen met Jezus mee; Hij keerde zich om en zei tot hen: 26“Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn. 27Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt kan hij mijn leerling niet zijn. 28Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij dan niet eerst er voor gaan zitten om een begroting te maken of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien? 29Anders zou het hem kunnen overkomen, – als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk te voltooien – 30dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen: Die man begon te bouwen, maar hij was niet in staat het einde te halen. 31Of welke koning zal, – als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken – niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt? 32Zo niet, dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden. 33Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.”