Lucas 9, 28-36

28In die tijd nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee en besteeg de berg om er te bidden. 29Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. 30En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia 31die in heerlijkheid verschenen waren, en zij spraken over zijn heengaan dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken. 32Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand. Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. 33Toen dezen van Hem heen wilden gaan zei Petrus tot Jezus: “Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.” Maar hij wist niet wat hij zei. 34Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bevangen. 35Uit de wolk klonk een stem die sprak: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luister naar Hem.” 36Terwijl de stem weerklonk bemerkten zij dat Jezus alleen was. Zij zwegen erover en verhaalden in die tijd aan niemand iets van wat zij gezien hadden.


Reflectie on Lucas 9, 28-36

Inspiratie - 2025-08-06 Dagelijks Gebed

Opnieuw vertelt Lucas dat Jezus zich terugtrok om te bidden, dit keer met drie van zijn leerlingen. Terwijl Hij bad, werd zijn goddelijkheid zichtbaar in zijn menselijkheid – zijn uiterlijk veranderde. Als wij Jezus ontmoeten in gebed, kunnen we dan net als Petrus zeggen: “Heer, het is goed dat we hier zijn?”

In het Oude Testament kregen Mozes en Elia het voorrecht om met de levende God te spreken. Vandaag hebben wij allemaal datzelfde voorrecht dankzij ons geloof. De pastoor van Ars zei ooit: “We hadden het verdiend om niet te kunnen bidden, maar God, in zijn goedheid, heeft ons dit geschenk gegeven.” Hoe gaan wij met dat geschenk om?