Matteüs 16, 13-19
13Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: “Wie is volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?” 14Zij antwoordden: “Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten.” 15“Maar gij” – sprak Hij tot hen – “wie zegt gij dat Ik ben?” 16Simon Petrus antwoordde: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” 17Jezus hernam: “Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. 18Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. 19Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.”
“Copyright © 2021 National Council of Churches of Christ in the United States of America. Used by permission. All rights reserved worldwide.”
Reflectie bij on Matteüs 16, 13-19
Inspiratie - 2026-06-29 Dagelijks Gebed
De vraag, Heer, die U aan uw leerlingen stelde, was duidelijk genoeg. Wat zou mijn antwoord dan geweest zijn, als U die vraag aan mij had gesteld? Mijn eerste reactie zou waarschijnlijk geweest zijn: “Ik zou het niet echt kunnen zeggen.” De andere leerlingen zouden er waarschijnlijk op hebben aangedrongen dat ik een standpunt zou innemen. Die vraag werd hun gesteld, niet omdat Jezus zelf duidelijkheid nodig had, maar juist voor hen. Zij moesten de zaak voor zichzelf ophelderen.