Matteüs 26, 14-25
14In die tijd ging een van de twaalf, Judas Iskariot geheten, naar de hogepriesters 15en zei: “Wat wilt ge mij geven als ik Hem u in handen speel?” Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit. 16En van toen af zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren.
17Op de eerste dag van het ongedesemde brood kwamen de leerlingen Jezus vragen: “Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?” 18Hij antwoordde: “Gaat naar de stad en zegt aan die en die: De Meester laat weten: Mijn uur is nabij; bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.” 19De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen en maakten het paasmaal gereed.
20Toen de avond gevallen was lag Hij met de twaalf leerlingen aan. 21Onder de maaltijd sprak Hij: “Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.” 22Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen: “Ik ben het toch niet, Heer?” 23Hij antwoordde: “Die met Mij zijn hand in de schotel steekt zal Mij overleveren. 24Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!” 25Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei: “Ik ben het toch niet, Rabbi?” Hij antwoordde hem: “Gij zegt het.”
“Copyright © 2021 National Council of Churches of Christ in the United States of America. Used by permission. All rights reserved worldwide.”