Matteüs 27, 11-54
11Jezus nu stond voor de landvoogd en de landvoogd vroeg Hem: “Zijt Gij de koning van de Joden?” Jezus zei: “Gij zegt het.” 12Maar op de beschuldigingen door de hogepriesters en de oudsten tegen Hem ingebracht, antwoordde Hij niets. 13Toen zei Pilatus tot Hem: “Hoort Gij niet wat ze allemaal tegen U getuigen?” 14Maar Hij antwoordde hem niet, op geen enkel punt, zodat de landvoogd hoogst verbaasd was.
15Bij een feest was de landvoogd gewoon voor het volk één gevangene vrij te laten, degene die zij wilden. 16Ze hadden juist een beruchte gevangene, Bárabbas geheten. 17Nu zij daar toch bijeen waren, sprak Pilatus tot hen: “Wie wilt ge dat ik u zal vrijlaten, Bárabbas of Jezus die Christus genoemd wordt?” 18Want hij wist wel dat ze Hem uit afgunst hadden overgeleverd. 19Terwijl hij op de rechterstoel gezeten was, liet zijn vrouw aan hem zeggen: “Laat u niet in met die rechtvaardige, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem doorstaan.” 20Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over te vragen om Bárabbas en Jezus te laten doden. 21Daarop zei de landvoogd tot hen: “Wie van de twee wilt ge dat ik u vrijlaat?” Ze zeiden: “Bárabbas.” 22Pilatus zei hun: “Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?” Zij zeiden allen: “Aan het kruis met Hem.” 23Hij zei: “Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?” Maar zij schreeuwden nog harder: “Aan het kruis met Hem.”
24Toen Pilatus zag dat het niets hielp, maar dat er veeleer tumult ontstond, nam hij water en waste ten overstaan van het volk zijn handen, terwijl hij zei: “Ik ben onschuldig aan dit bloed; gij moet zelf maar zien.” 25Heel het volk antwoordde: “Zijn bloed kome op ons en op onze kinderen 26Toen liet hij hun Bárabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en leverde Hem over om gekruisigd te worden.
27Daarop namen de soldaten van de landvoogd Jezus mee het pretorium binnen en verzamelden de hele cohort rondom Hem. 28Zij kleedden Hem uit en hingen Hem een rode mantel om. 29Ook vlochten ze een kroon van doorntakken, drukten die op zijn hoofd en drukten een rietstok in zijn rechterhand en, nadat ze voor Hem op de knieën gevallen waren, bespotten ze Hem met de woorden: “Gegroet, koning van de Joden.” 30Ze bespuwden Hem, pakten de rietstok en sloegen op zijn hoofd. 31Nadat zij de spot met Hem gedreven hadden, trokken ze Hem de mantel uit, deden Hem zijn kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisigen.
32Toen ze de stad uitgingen, troffen ze een man uit Cyrene, Simon genaamd, en vorderden hem tot het dragen van zijn kruis. 33Gekomen op een plaats die Golgota genoemd wordt – dat wil zeggen Schedelplaats – 34gaven ze Hem met gal gemengde wijn te drinken; maar toen Hij ervan geproefd had, wilde Hij niet drinken. 35Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren door er het lot om te werpen; , 36en daar neergezeten bleven ze de wacht bij Hem houden. 37Boven zijn hoofd bevestigden ze een opschrift met de beschuldiging tegen Hem: “Dit is Jezus, de koning van de Joden.”
38Samen met Hem werden ook twee rovers gekruisigd, een rechts en een links. 39De voorbijgangers lasterden Hem, terwijl ze het hoofd schudden 40en zeiden: “Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van het kruis af.” 41In dezelfde trant zeiden de hogepriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend: 42“Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israël! Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. 43Hij vertrouwt op God; laat Die bevrijding brengen, als Hij Hem genegen is. Hij heeft immers gezegd: ‘Ik ben de Zoon van God!’ ” 44Evenzo beschimpten Hem zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren.
45Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur. 46Omstreeks het negende uur riep Jezus met luide stem: “Eli, Eli, lamá sabachtáni?”, dat wil zeggen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” 47Enkelen uit de omstanders, die het hoorden, zeiden: “Hij roept Elia.” 48Meteen rende een van hen weg, nam een spons, drenkte die in zure wijn, stak ze op een rietstok en wilde Hem te drinken geven. 49Maar de anderen zeiden: “Laat dat! Wij zullen eens zien of Elia Hem komt redden.” 50Jezus slaakte opnieuw een luide kreet en gaf de geest. 51En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën, de aarde beefde en de rotsen scheurden. 52De graven gingen open en de lichamen van vele heiligen die ontslapen waren, verrezen. 53Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven en gingen de heilige stad binnen en verschenen aan velen. 54De honderdman en die met hem bij Jezus de wacht hielden, werden bij het zien van de aardbeving en wat verder gebeurde, door een grote vrees bevangen en zeiden: “Waarlijk, Hij was Gods Zoon.” ,
“Copyright © 2021 National Council of Churches of Christ in the United States of America. Used by permission. All rights reserved worldwide.”