Matteüs 9:36-10:8

36In die tijd werd Jezus bij het zien van de menigte door medelijden voor hen bewogen, omdat ze afgemat waren en terneergeslagen als schapen die geen herder hebben.

1Toen riep Jezus zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en alle kwalen te genezen. 2Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas, en Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes; 3Filippus en Bartolomeüs, Thomas en Matteüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, 4Simon de Kananeeër en Judas Iskáriot, die Hem ook heeft overgeleverd.

5Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: “Gaat niet op weg naar de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; 6gaat veeleer naar de verloren schapen van het huis Israël. 7Verkondigt op uw tocht: ‘Het Koninkrijk der hemelen is nabij.’ 8Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft demonen uit. Om niet hebt gij ontvangen, om niet moet gij geven.”


Reflectie bij on Matteüs 9:36-10:8

Inspiratie - 2026-06-14 Dagelijks Gebed

Nadat U de twaalf had aangesteld, stuurde U hen eropuit met zeer specifieke instructies. Ze moesten naar de verloren schapen gaan, de minder bevoorrechten, degenen die U waarschijnlijk niet zouden ontmoeten, tenzij iemand uit uw groep zich speciaal zou inspannen om hen aan te moedigen en te onderwijzen. Is dat de taak die u mij hebt opgedragen? Zo ja, help mij dan om die taak met een open hart en een scherp oog uit te voeren.